Een Neger in Parijs


Menig literatuurliefhebber zou er iets voor over hebben om tussen 1844 en 1849 aanwezig te zijn bij de bijeenkomsten van de Club des Hashischins. Eén keer per maand komen daar schrijvers en kunstenaars samen om te experimenteren met hasj. Prominente leden zijn: Charles Baudelaire, Victor Hugo en Eugène Delacroix. Onder hen bevindt zich ook Alexandre Dumas.

Met zijn ronde gelaatsvorm, kroeshaar en getinte huidskleur kan Dumas (1802-1870) niet verhullen dat hij voor een kwart neger is. Zijn vader, generaal in het Napoleontische leger, is de zoon van een slavin en een adellijke plantage-eigenaar. Bij de geboorte van Alexandre schrijft hij: ‘Gisteren is mijn vrouw in alle vroegte bevallen van een ferme zoon. Hij weegt negen pond en is achttien duim lang. Wanneer hij hierbuiten net zo hard groeit als daarbinnen, dan belooft het nog een aardig figuur te worden. P.S. Ik heb de brief weer geopend om je mede te delen dat de deugniet zojuist over zijn eigen kop heeft gepist. Een goed voorteken nietwaar?’

Dumas’ omvang en brutaliteit nemen gedurende zijn leven alleen maar toe. Hij werkt zich op van klerk tot een van de grootste toneel- en romanschrijvers van zijn tijd. En een zeer productieve schrijver ook. Van zijn hand verschijnen 646 werken met 4.056 hoofdpersonen, 8.872 secundaire personages en 24.339 figuranten. Soms schrijft hij - terwijl tout Paris in zijn huis aan het feesten is - in drie dagen een roman.

Het geld stroomt binnen, maar wordt net zo hard weer uitgegeven. Dumas heeft vele minnaressen en een aantal bastaardkinderen. De productiviteit moet omhoog. Hij werkt samen met tientallen co-auteurs, die hem herhaaldelijk en tevergeefs voor de rechter slepen om zijn auteursrecht te betwisten. Zijn eerste medewerker is Auguste Maquet, een geschiedenisleraar. Geschiedenis is voor Dumas altijd de spijker geweest waaraan hij zijn verhalen ophangt. Daarbij permitteert hij zich de nodige dichterlijke vrijheid: ‘Het is toegestaan dat men de geschiedenis verkracht, als zij maar een kind baart.’

De samenwerking met Maquet levert een aantal grote romans op waaronder - het op ware feiten gebaseerde - De Graaf van Monte Cristo. Het succes van deze – in eerste instantie als krantenfeuilleton gepubliceerde - roman is enorm. Dumas laat even buiten Parijs een droompaleis bouwen. Het Château de Monte Cristo. Ernaast laat hij een tuinhuis neerzetten, enigszins ironisch Château d’If gedoopt – naar de gevangenis die in het boek zo’n belangrijke rol speelt. In zijn tuinhuis kan hij zich terugtrekken om te schrijven als in het château weer eens een bruisend feest aan de gang is.

Ondanks zijn succes wordt Dumas door de elite nooit echt voor vol aangezien. Een tijdgenoot schrijft over hem: ‘Dumas stamt af van een negerin, hetgeen zowel de trekken en het gelaat des kleinzoons, als de eigenschappen van zijn dichtkunst te kennen geven. De letterkundige waarde van zijn werken is verschillend; een zede-lijke strekking missen zij geheel. Dumas schrijft zoals een beschaafde neger doen zou, met zinnelijke hartstocht, met sterke kleuren en een duidelijke voorliefde voor het onbeschofte. Zijn helden en heldinnen kennen geen ander doel, dan in genietingen te leven; van zedelijke kracht is geen sprake, des te meer van zinnelijke. In zijn werken zweemt altijd het groteske; zijn het niet de karakters, dan zijn het de gebeurtenissen; in de regel overschrijden beide bij hem de grenzen welke de dichter gegeven zijn. Juist deze eigenschappen zorgen dat Dumas onverminderd populair blijft, getuige de broers de Goncourt: ‘Vader Dumas is een toffe jongen en de Fransen zullen hem altijd zo blijven zien. Dit volk is niet bereid iemand au sérieux te nemen die er maar niet in slaagt grondig vervelend te zijn.’

Naarmate hij ouder wordt, taant zijn populariteit. Maar Dumas is zowel letterlijk als figuurlijk niet klein te krijgen. Op vijfenzestigjarige leeftijd begint hij nog een verhouding met de drieëndertig jaar jongere Adah Menken. Ongetwijfeld tot zijn groot genoegen veroorzaakt de in 1867 gepubliceerde foto van het stel veel opschudding. Hij begint aan een laatste boek: ‘Ik wil mijn literaire werk van vijfhonderd delen afsluiten met minstens één kookboek’. Dat wordt Le Grand Dictionnaire de Cuisine. De publicatie ervan zal hij niet meer meemaken. Zijn laatste dagen brengt hij door bij zijn zoon in Dieppe. Het enige dat van zijn fortuin over is, zijn twee gouden munten die op tafel liggen. Dumas verzucht: ‘Iedereen zegt dat ik altijd zo’n verkwister ben geweest... maar zie hoe verkeerd ik beoordeeld word. Toen ik voor het eerst in Parijs kwam had ik twee Louis d’Or in mijn zak en kijk...ik heb ze nog.


- Costiaan Mesu -

(maart 2007)

Ga naar: WWW.COSTIAAN.COM